Mitsrajim

afbreking: Mits·ra·jim [ ? ]
  [uitspraak: Mietsràjiem] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]

 
  1. kleinzoon van Noach-1, derde zoon van Cham-1, die stamvader is van vooral Afrikaanse volken, waaronder dat van Egypte (4x: Gen. 10:6 +, 1 Kron. 1:8 +);
  2. volk en land bij de Nijl; Abram trekt erheen, Jozef-1 wordt er onderkoning, Jakob-1 en zijn andere zonen trekken erheen, Mozes-1 leidt de Israëlieten eruit; in vertalingen meestal: Egypte (681x: Gen. 13:10 +, Ex. 1:5 +, Lev. 11:45 +, Num. 1:1 +, Deut. 1:27 +, Joz. 2:10 +, Recht. 2:1 +, 1 Sam. 2:27 +, 2 Sam. 7:6 +, 1 Kon. 3:1 +, 2 Kon. 7:6 +, Jes. 7:18 +, Jer. 2:6 +, Ez. 16:26 +, Hos. 2:17 +, Joël 4:19, Am. 2:10 +, Mi. 6:4 +, Nah. 3:9, Hag. 2:5, Zach. 10:10 +, Ps. 68:32 +, Spr. 7:16, Klaagl. 5:6, Dan. 9:15 +, Neh. 9:9 +, 1 Kron. 13:5 +, 2 Kron. 1:16 +)
[ ? ]

  Mitsrajim  
verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Misraïm [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-