mizrach

afbreking: miz·rach [ ? ]
  [uitspraak: miezrach] [ ? ]
lidwoord: het  
meervoud: miz·rachs
[uitspraak: miezrachs]
 
herkomst: Hebreeuws [ ? ]

 
  1. oosten;
  2. bord of plaat in huiskamer of synagoge waarmee de oostelijke richting wordt aangegeven, voor het gebed
[ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-