Moab

afbreking: Mo·ab [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: in Gen. 19:37 te interpreteren als 'uit vader';  

 
  1. zoon van een van de dochters van Lot, stamvader van de Moabieten (Gen. 19:37);
  2. uit hem voortgekomen volk en gebied van dat volk, ten oosten van de Dode Zee (183x: Gen. 36:35, Ex. 15:15, Num. 21:11 +, Deut. 1:5 +, Joz. 13:32 +, Recht. 3:12 +, 1 Sam. 12:9 +, 2 Sam. 8:2 +, 1 Kon. 11:7 +, 2 Kon. 1:1 +, Jes. 11:14 +, Jer. 9:25 +, Ez. 25:8 +, Am. 2:1 +, Mi. 6:5, Sef. 2:8, Ps. 60:10 +, Rt. 1:1 +, Dan. 11:41, Ezra 2:6 +, Neh. 3:11 +, 1 Kron. 1:46 +, 2 Kron. 20:1 +)
[ ? ]

  Moab  
verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Moav [ ? ]
zie ook: Moabiet  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-