Mordochai, Mordechai

afbreking: Mor·do·chai, Mor·do·chai, Mor·de·chai, Mor·de·chai [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: verband met 'Merodach';  

 
  1. afstammeling van Benjamin-1, zoon van Jaïr, pleegvader van Ester-1, die een dochter is van zijn oom (58x: Est. 2:5 +);
  2. een van degenen die met Zerubbabel terugkeert uit de ballingschap in Babel-2 (Ezra 2:2, Neh. 7:7);
  3. mannelijke voornaam;
  4. glossen op Sefer Hahalachot van Jitschak ben Jaäkov Alfasi door Mordechai ben Hillel Hakohen uit Duitsland (1240?-1298)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Mordechai [ ? ]
spelling: 'Mordochai, Mordechai' is een taalvariant (zie help 7.1.5)  
zie ook: Jad Mordechai  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-