nabracha

afbreking: na·bra·cha [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: na·bra·chot  
herkomst: Hebreeuws-Nederlands [ ? ]

  lofzegging na eten of drinken [ ? ]

zie ook: bracha, voorbracha  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-