Nachor

Nachor (1)

afbreking: Na·chor [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'snorker';  

 
  1. nakomeling van Sem, zoon van Serug, grootvader van Abraham-1 (5x: Gen. 11:22 +, 1 Kron. 1:26);
  2. kleinzoon van Nachor-1, broer van Abraham-1 (13x: Gen. 11:26 +, Joz. 24:2)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Nachor(2) [ ? ]

Nachor (2)

afbreking: Na·chor [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'snorker';  

 
  1. nakomeling van Sem, zoon van Serug, grootvader van Abraham-1 (5x: Gen. 11:22 +, 1 Kron. 1:26);
  2. kleinzoon van Nachor-1, broer van Abraham-1 (13x: Gen. 11:26 +, Joz. 24:2)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Nachor [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-