Nadav

afbreking: Na·dav [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: '(de Heer) is edelmoedig';  

 
  1. oudste van de vier zonen van Aäron-1; hij en zijn broer Abihu worden gedood als zij de Heer verkeerd vuur aanbieden (12x: Ex. 6:23 +, Lev. 10:1, Num. 3:2 +, 1 Kron. 5:29 +);
  2. zoon en opvolger van koning Jerobeam-1 van Israël-4 (4x: 1 Kon. 14:20 +);
  3. afstammeling van Juda-1, zoon van Sammai (1 Kron. 2:28, 2:30);
  4. afstammeling van Benjamin-1, zoon van Jeïël-4 en Maächa-9 (1 Kron. 8:30, 9:36)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Nadab [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-