Naftali

Naftali (1)

afbreking: Naf·ta·li [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: volgens Gen. 30:8 'ik heb geworsteld';  

 
  1. zesde van de twaalf zonen van aartsvader Jakob-1; moeder is de slavin Bilha-1 (o.a. Gen. 30:8; nr. 1-3: 51x, zie nr. 3);
  2. uit hem voortgekomen stam van Israël-2 (o.a. Num. 1:43; nr. 1-3: 51x, zie nr. 3);
  3. gebied van deze stam, ten noorden van het Meer van Kinneret (o.a. Deut. 34:2; nr. 1-3: 51x: Gen. 30:8 +, Ex. 1:4, Num. 1:15 +, Deut. 27:13 +, Joz. 19:32 +, Recht. 1:33 +, 1 Kon. 4:15 +, 2 Kon. 15:29, Jes. 8:23, Ez. 48:3 +, Ps. 68:28, 1 Kron. 2:2 +, 2 Kron. 16:4 +);
  4. mannelijke voornaam
[ ? ]

  Naftali  
verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Naftali(2) [ ? ]

Naftali (2)

afbreking: Naf·ta·li [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: volgens Gen. 30:8 'ik heb geworsteld';  

 
  1. zesde van de twaalf zonen van aartsvader Jakob-1; moeder is de slavin Bilha(2)-1 (o.a. Gen. 30:8; nr. 1-3: 51x, zie nr. 3);
  2. uit hem voortgekomen stam van Israël-2 (o.a. Num. 1:43; nr. 1-3: 51x, zie nr. 3);
  3. gebied van deze stam, ten noorden van het Meer van Kinneret (o.a. Deut. 34:2; nr. 1-3: 51x: Gen. 30:8 +, Ex. 1:4, Num. 1:15 +, Deut. 27:13 +, Joz. 19:32 +, Recht. 1:33 +, 1 Kon. 4:15 +, 2 Kon. 15:29, Jes. 8:23, Ez. 48:3 +, Ps. 68:28, 1 Kron. 2:2 +, 2 Kron. 16:4 +);
  4. mannelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Naftali [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-