Nahum

afbreking: Na·hum [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'getroost';  

 
  1. profeet wiens woorden staan in een naar hem genoemd Bijbelboek, een Elkosiet (Nah. 1:1);
  2. een van de kleinere profetische boeken van het OT
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Nachoem [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-