nazareeër, nazarener, nazoreeër

afbreking: na·za·ree·ër, na·za·re·ner, na·zo·ree·ër [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: na·za·ree·ërs, na·za·re·ners, na·zo·ree·ërs  
herkomst: Hebreeuws-Nederlands [ ? ]

  lid van eerste christengemeenten [ ? ]

spelling: 'nazareeër, nazarener, nazoreeër' is een taalvariant (zie help 7.1.5)  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-