Nazir

afbreking: Na·zir [ ? ]
  [uitspraak: Nazier] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws [ ? ]
letterlijk: 'uitgezonderde, gewijde, nazireeër';  

 
  1. traktaat in het Misjnadeel Nasjiem, over het nazireeërschap (Num. 6);
  2. traktaat in de Talmoed Jeroesjalmi en de Talmoed Bavli, over hetzelfde onderwerp
[ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-