nazireeër

afbreking: na·zi·ree·ër [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: na·zi·ree·ërs  
herkomst: Hebreeuws-Nederlands [ ? ]

  iemand die om godsdienstige redenen een gelofte heeft afgelegd tot bepaalde onthoudingen, waaronder het drinken van alcoholische drank en het knippen van het hoofdhaar (Num. 6:1-6) [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-