nebbech

afbreking: neb·bech [ ? ]
  [uitspraak: nebbəch] [ ? ]
herkomst: Jiddisj [ ? ]

 
  1. och!, helaas! jammer! (uitroep van medelijden of spijt);
  2. zielig
[ ? ]

verwant: Jiddisj ook: nebbisj [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-