Nechemja

afbreking: Ne·chem·ja [ ? ]
  [uitspraak: Nəchemja] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'de Heer troost';  

 
  1. zoon van Chachalja, een van de leiders bij de terugkeer uit de ballingschap in Babel-2; geeft leiding aan de herbouw van de muur van Jeruzalem-1; een van degenen die zich verbinden om de Tora te onderhouden; auteur van een belangrijk deel van het Bijbelboek Nehemia-4 (5x: Neh. 1:1 +);
  2. een van degenen die met Zerubbabel terugkeren uit de ballingschap in Babel-2 (Ezra 2:2, Neh. 7:7);
  3. zoon van Azbuk; werkt mee aan de herbouw van de muur van Jeruzalem-1 (Neh. 3:16);
  4. boek van het OT waarin Nehemia-1 hoofdpersoon en deels auteur is;
  5. mannelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Nehemia, Nechemja [ ? ]
zie ook: Sedee Nechemja  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-