nefesj

afbreking: ne·fesj [ ? ]
  [uitspraak: nèfesj] [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: ne·fa·sjot
[uitspraak: nəfasjot]
 
herkomst: Hebreeuws [ ? ]

  ziel, persoon [ ? ]

spelling: spelling elders: Nefesch, Nefesh  
zie ook: pikoeach nefesj  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-