Nida

afbreking: Ni·da [ ? ]
herkomst: Hebreeuws [ ? ]
letterlijk: 'menstruerende vrouw';  

 
  1. traktaat in het Misjnadeel Tohorot, over rituele onreinheid door menstruatie en bevalling (Lev. 12; 15:19-30);
  2. traktaat in de Talmoed Jeroesjalmi en de Talmoed Bavli, over hetzelfde onderwerp
[ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-