nisan

nisan (1)

afbreking: ni·san, ni·san [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]

  eerste maand van het joodse jaar, in maart-april (Est. 3:7, Neh. 2:1); zevende maand bij telling vanaf Rosj Hasjana [ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): nisan(2) [ ? ]

nisan (2)

afbreking: ni·san [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

  eerste maand van het joodse jaar, in maart-april (Est. 3:7, Neh. 2:1); zevende maand bij telling vanaf Rosj Hasjana [ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): nisan [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-