Noachitisch

afbreking: No·a·chi·tisch [ ? ]
vorm op -e: No·a·chi·ti·sche  
herkomst: Hebreeuws-Nederlands [ ? ]

  in 'Noachitisch verbond': van Noach [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-