Noda Bihoeda

afbreking: No·da Bi·hoe·da [ ? ]
herkomst: Hebreeuws [ ? ]
letterlijk: 'bekend geworden in Jehoeda/Juda';  

 
  1. andere naam van Jechezkel ben Jehoeda Landau, Poolse halachische autoriteit (1713-1793), schrijver van een responsabundel (Praag 1776, 1811);
  2. deze responsabundel
[ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-