noesach

afbreking: noe·sach, noe·sach [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: noes·cha·ot  
herkomst: Hebreeuws [ ? ]

  geheel van traditionele melodiepatronen, m.n. bij de muzikale voordracht in de synagoge (vaak met een nadere bepaling van dat geheel, zoals in 'noesach Sefard' of 'noesach jamiem noraïem') [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-