Noömi, Naomi

afbreking: No·ö·mi, Na·ö·mi [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: verband met 'mooi, vriendelijk';  

 
  1. vrouw van Elimelech, moeder van Machlon en Kiljon, schoonmoeder van Ruth-1; noemt zichzelf: Mara(2) (21x: Rt. 1:2 +);
  2. vrouwelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Noömi [ ? ]
spelling: 'Noömi, Naomi' is een weergavevariant (zie help 7.1.5)  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-