Obadja

afbreking: Obad·ja [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'dienstknecht van de Heer';  

 
  1. profeet die zich vooral uitspreekt over Edom(2)-2; zijn woorden staan in een naar hem genoemd Bijbelboek (Ob. 1);
  2. zoon van Jechiël; keert met Ezra(2)-1 terug uit de ballingschap in Babel-2 (Ezra 8:9);
  3. een van de priesters die zich na terugkeer uit de ballingschap in Babel-2 verbinden om de Tora te onderhouden (Neh. 10:6);
  4. zoon van Semaja-18, Leviet-2, zanger; andere naam: Abda-2 (Neh. 12:25, 1 Kron. 9:16);
  5. nakomeling van David-1, nakomeling van Zerubbabel (1 Kron. 3:21);
  6. afstammeling van Issachar-1, nakomeling van Tola, zoon van Jizrachja (1 Kron. 7:3);
  7. afstammeling van Benjamin-1, zoon van Asel (1 Kron. 8:38, 1 Kron. 9:44);
  8. afstammeling van Gad-1; sluit zich in Siklag aan bij David-1 (1 Kron. 12:10);
  9. een van degenen die het volk onderrichten in opdracht van koning Jehosafat-3 van Juda-4 (2 Kron. 17:7);
  10. een van de kleinere profetische boeken van het OT
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Ovadja [ ? ]
spelling: spelling elders: Abdias  
zie ook: Obadjahu, Obadja  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-