Obadjahu, Obadja

afbreking: Obad·ja·hu, Obad·ja [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'dienstknecht van de Heer';  

 
  1. hofmeester bij koning Achab-1 van Israël-4 (7x: 1 Kon. 18:3 +);
  2. afstammeling van Zebulon-1, vader van Jismaja (1 Kron. 27:19);
  3. nakomeling van Merari(2), Leviet-2 in de tijd van koning Josia van Juda-4 (2 Kron. 34:12)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Ovadjahoe [ ? ]
spelling: 'Obadjahu' wordt in de meeste vertalingen 'Obadja'  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-