Oeza

afbreking: Oe·za [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]

 
  1. zoon van Abinadab-1; begeleidt de verbondsark als deze uit diens huis wordt overgebracht naar Jeruzalem-1 (6x: 2 Sam. 6:3 +, 1 Kron. 13:7 +);
  2. naamgever van een tuin bij het paleis in Jeruzalem-1 (2 Kon. 21:18, 21:26);
  3. een van de tempelknechten die met Zerubbabel terugkeren uit de ballingschap in Babel-2 (Ezra 2:49, Neh. 7:51);
  4. afstammeling van Benjamin-1, broer van Achichud (1 Kron. 8:7)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Uzza [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-