Ofir

afbreking: Ofir [ ? ]
  [uitspraak: Ofier] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

 
  1. elfde van de dertien zonen van Joktan (Gen. 10:29, 1 Kron. 1:23);
  2. naar hem genoemd gebied in vermoedelijk het zuidwesten van Arabië, vooral bekend om zijn goud (11x: 1 Kon. 9:28 +, Jes. 13:12, Ps. 45:10, Job 22:24 +, 1 Kron. 29:4, 2 Kron. 8:18 +)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Ofier [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-