omer

omer (1)

afbreking: omer [ ? ]
lidwoord: de  
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) / Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'garve, schoof';  

 
  1. garve, schoof (8x: Lev. 23:10 +, Deut. 24:19, Job 24:10, Rt. 2:7, 2:15); in het bijzonder offer van een schoof gerst dat in de tempel gebracht werd op de tweede dag van Pesach (zie Lev. 23:10-12);
  2. omertijd, de 49 dagen tussen het brengen van de omer-1 op Pesach en Sjavoeot (het zogeheten 'omer tellen', zie Lev. 23:15-16); deze tijd geldt als periode van halve rouw, omdat volgens de traditie daarin een groot aantal leerlingen van rabbi Akiva stierf aan de pest
[ ? ]

zie ook: Lag Baomer  

omer (2)

afbreking: omer [ ? ]
lidwoord: de  
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) / Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: afleiding van het woord voor 'garve, schoof';  

  inhoudsmaat voor koren; een omer is een tiende efa volgens Ex. 16:36 (6x: Ex. 16:16 +) [ ? ]

spelling: spelling elders: homer  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-