Omri

Omri (1)

afbreking: Om·ri [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]

 
  1. koning van Israël-4, vader van zijn opvolger Achab-1; sticht de plaats Samaria-1, die hoofdstad wordt van het noordrijk Israël-4 (15x: 1 Kon. 16:16 +, 2 Kon. 8:26, Mi. 6:16, 2 Kron. 22:2);
  2. afstammeling van Benjamin-1, zoon van Becher (1 Kron. 7:8);
  3. afstammeling van Juda-1, voorvader van Utai, die hoort tot de nieuwe inwoners van Jeruzalem-1 (1 Kron. 9:4);
  4. afstammeling van Issachar-1, zoon van Michaël-7 (1 Kron. 27:18)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Omri(2) [ ? ]

Omri (2)

afbreking: Om·ri [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

 
  1. koning van Israël-4, vader van zijn opvolger Achab-1; sticht de plaats Samaria-1, die hoofdstad wordt van het noordrijk Israël-4 (15x: 1 Kon. 16:16 +, 2 Kon. 8:26, Mi. 6:16, 2 Kron. 22:2);
  2. afstammeling van Benjamin-1, zoon van Becher (1 Kron. 7:8);
  3. afstammeling van Juda-1, voorvader van Utai, die hoort tot de nieuwe inwoners van Jeruzalem-1 (1 Kron. 9:4);
  4. afstammeling van Issachar-1, zoon van Michaël-7 (1 Kron. 27:18)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Omri [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-