Oveed

afbreking: Oveed [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'dienstknecht';  

 
  1. zoon van Boaz-2 en Ruth-1, vader van Isaï, grootvader van David-1 (5x: Rt. 4:17 +, 1 Kron. 2:12, 2:12; Griekse vorm 3x in NT);
  2. afstammeling van Juda-1, nakomeling van Jerachmeël, zoon van Eflal (1 Kron. 2:37, 2:38);
  3. een van de helden van David-1 (1 Kron. 11:47);
  4. kleinzoon van Obed-Edom-2, zoon van Semaja-21, poortwachter (1 Kron. 26:7);
  5. vader van Azarjahu-8, die zich verbindt met de priester Jehojada-2 (2 Kron. 23:1)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Obed [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-