parasja

afbreking: pa·ra·sja [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: pa·ra·sjot, pa·ra·sji·ot  
herkomst: Hebreeuws [ ? ]

  (deel van) wekelijks wisselende Toraperikoop die in de synagoge wordt gelezen [ ? ]

verwant: Sefardisch Hebreeuws: parasa;
Jiddisj: parsje
[ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-