peigeren

afbreking: pei·ge·ren [ ? ]
vervoeging: pei·ger·de, ge·pei·gerd  
herkomst: Bargoens [ ? ]

  doodgaan [ ? ]

zie ook: afpeigeren, peiger  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-