Pesach

afbreking: Pe·sach [ ? ]
  [uitspraak: Peesach, Pèsach] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) / Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

  feest waarbij de uittocht van de Israëlieten uit Egypte wordt gevierd, joods paasfeest, op 15-22 nisan (45x: Ex. 12:11 +, Lev. 23:5, Num. 9:2 +, Deut. 16:1 +, Joz. 5:10 +, 2 Kon. 23:21 +, Ez. 45:21 +, Ezra 6:19 +, 2 Kron. 30:18 +) [ ? ]

verwant: Hebreeuws: pesach [ ? ]
spelling: spelling elders: Pascha  
zie ook: hagada sjel Pesach  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-