Pinechas

afbreking: Pi·ne·chas [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

 
  1. kleinzoon van Aäron-1, zoon van Eleazar-1, hogepriester (17x: Ex. 6:25, Num. 25:7 +, Joz. 22:13 +, Recht. 20:28, Ps. 106:30, Ezra 7:5 +, 1 Kron. 5:30 +);
  2. zoon van Eli(2), priester in Silo; hij en zijn broer Chofni(2) misdragen zich en sneuvelen in een gevecht met Filistijnen (7x: 1 Sam. 1:3 +);
  3. vader van Elazar, priester in de tempel (Ezra 8:33);
  4. woord uit het begin, tevens naam van de perikoop Bemidbar 25:10-30:1;
  5. mannelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Pinechas, Pinchas [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-