planjenen, planjeren

afbreking: plan·je·nen, plan·je·ren [ ? ]
vervoeging: plan·jen·de, ge·plan·jend, plan·jer·de, ge·plan·jerd  
herkomst: Bargoens [ ? ]

  huilen [ ? ]

spelling: 'planjenen, planjeren' is een taalvariant (zie help 7.1.5)  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-