rabenoe

afbreking: ra·be·noe [ ? ]
herkomst: Hebreeuws [ ? ]
letterlijk: 'onze leraar';  

  eretitel voor Torageleerden in de oudheid die veel leerlingen hadden [ ? ]

zie ook: Mosjee rabenoe  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-