Rachel, Racheel

afbreking: Ra·chel, Ra·cheel [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: in het Hebreeuws 'vrouwelijk schaap';  

 
  1. dochter van Laban, jongere zus van Lea-1; Jakob-1 moet tweemaal zeven jaar voor Laban werken voordat hij Rachel tot vrouw krijgt; moeder van Jozef-1 en Benjamin-1, de elfde en twaalfde zoon van Jakob-1; begraven bij de weg naar Efrat-1 (47x: Gen. 29:6 +, 1 Sam. 10:2 +, Jer. 31:15, Rt. 4:11);
  2. vrouwelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Rachel [ ? ]
spelling: 'Rachel, Racheel' is een weergavevariant (zie help 7.1.5)  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-