Refaël, Rafaël

afbreking: Re·fa·ël, Ra·fa·ël [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'God heeft genezen';  

 
  1. kleinzoon van Obed-Edom-2, zoon van Semaja-21, poortwachter (1 Kron. 26:7);
  2. aartsengel (in het deuterocanonieke Bijbelboek Tobit);
  3. mannelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Refaël, Refaëel [ ? ]
spelling: in vertalingen vaak 'Refaël' bij nr. 1, 'Rafaël' bij nr. 2-3  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-