Reüel

afbreking: Re·ü·el [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'vriend van/is God';  

 
  1. zoon van Esau-1 en Basemat, vader van Nachat, Zerach-1, Samma en Mizza (7x: Gen. 36:4 +, 1 Kron. 1:35 +);
  2. inwoner van Midjan(2), priester, vader van Sippora, de vrouw van Mozes-1; andere namen: Jeter, Jetro-1 (Ex. 2:18, Num. 10:29);
  3. afstammeling van Gad-1, vader van Eljasaf; andere naam: Deüel (Num. 2:14);
  4. afstammeling van Benjamin-1, voorvader van Mesullam-19, die hoort tot de nieuwe inwoners van Jeruzalem-1 (1 Kron. 9:8)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Reoeëel [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-