ribi

afbreking: ri·bi, ri·bi [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: ru·bi·siem  
herkomst: Sefardisch (Portugees) Hebreeuws [ ? ]

 
  1. assistent-rabbijn in Portugees-Israëlitische gemeenten;
  2. leraar aan het Portugees-Israëlietisch Seminarium Ets Haim
[ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-