roosje

afbreking: roosje [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: roosjes  
herkomst: Jiddisj [ ? ]

 
  1. booswicht;
  2. jodenhater
[ ? ]

verwant: Hebreeuws: rasja [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-