rosj chodesj

afbreking: rosj cho·desj [ ? ]
  [uitspraak: chòdesj] [ ? ]
meervoud: rosj cho·da·sjiem
[uitspraak: chòdasjiem]
 
herkomst: Hebreeuws [ ? ]
letterlijk: 'begin van de maand';  

  eerste dag van joodse maand [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-