Ruben

afbreking: Ru·ben [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'zie, een zoon', volgens Gen. 29:32 (op de klank) 'hij heeft gezien mijn ellende';  

 
  1. eerste van de twaalf zonen van aartsvader Jakob-1; moeder is Lea(2)-1 (o.a. Gen. 29:32; nr. 1-3: 69x, zie nr. 3);
  2. uit hem voortgekomen stam van Israël-2 (o.a. Num. 1:21; nr. 1-3: 69x, zie nr. 3);
  3. gebied van deze stam, ten oosten van de Dode Zee (o.a. Ez. 48:7; nr. 1-3: 69x: Gen. 29:32 +, Ex. 1:2 +, Num. 1:5 +, Deut. 11:6 +, Joz. 4:12 +, Recht. 5:15 +, Ez. 48:6 +, 1 Kron. 2:1 +);
  4. mannelijke voornaam
[ ? ]

  Ruben  
verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Reoeveen [ ? ]
zie ook: Rubeniet  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-