sabbat

afbreking: sab·bat [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: sab·bats  
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'dag van ophouden/rusten';  

  zevende dag van de week, zaterdag, joodse rustdag (111x: Ex. 16:23 +, Lev. 16:31 +, Num. 15:32 +, Deut. 5:12 +, 2 Kon. 4:23 +, Jes. 1:13 +, Jer. 17:21 +, Ez. 46:1 +, Hos. 2:13, Am. 8:5 +, Ps. 92:1, Klaagl. 2:6, Neh. 9:14 +, 1 Kron. 9:32 +, 2 Kron. 23:4 +; ook 55x in NT) [ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): sjabbat;
Asjkenazisch Hebreeuws: sjabbos;
Sefardisch Hebreeuws: saba;
Jiddisj: sjabbes
[ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-