sadduceeër

afbreking: sad·du·cee·ër [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: sad·du·cee·ërs  
herkomst: Hebreeuws-Nederlands [ ? ]

  een van de sadduceeën [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-