Sallum

afbreking: Sal·lum [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

 
  1. zoon van Jabes-2, opvolger van koning Zecharja-2 van Israël-4 (4x: 2 Kon. 15:10 +);
  2. man van de profetes Chulda (2 Kon. 22:14, 2 Kron. 34:22);
  3. zoon en opvolger van koning Josia van Juda-4, opgevolgd door zijn broer Eljakim-2; andere namen: Joachaz(2)-3, Jehoachaz (Jer. 22:11, 1 Kron. 3:15);
  4. oom van de profeet Jeremia-1, vader van Chanamel (Jer. 32:7);
  5. vader van Maäsejahu-1, poortwachter (Jer. 35:4);
  6. een van degenen die met Zerubbabel terugkeren uit de ballingschap in Babel-2, poortwachter in Jeruzalem-1; andere naam: Mesullam-14 (6x: Ezra 2:42, Neh. 7:45, 1 Kron. 9:17 +);
  7. nakomeling van Aäron-1, zoon van de priester Sadok-1, voorvader van Ezra(2)-1; andere naam: Mesullam-11 (Ezra 7:2, 1 Kron. 5:38, 5:39);
  8. poortwachter, getrouwd met een uitheemse vrouw (Ezra 10:24);
  9. zoon van Bani, getrouwd met een uitheemse vrouw (Ezra 10:42);
  10. zoon van Halloches; werkt mee aan de herbouw van de muur van Jeruzalem-1 (Neh. 3:12);
  11. afstammeling van Juda-1, nakomeling van Jerachmeël, zoon van Sisemai (1 Kron. 2:40, 2:41);
  12. kleinzoon van Simeon-1, zoon van Saül (1 Kron. 4:25);
  13. zoon van Naftali(2)-1; andere naam: Sillem (1 Kron. 7:13);
  14. vader van Jechizkiahu-2 (2 Kron. 28:12)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Sjaloem [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-