Salomo

afbreking: Sa·lo·mo [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]

 
  1. zoon van David-1 en Batseba; man van verschillende, met name uitheemse vrouwen; opvolger van David-1 als koning van alle stammen van Israël-2; bouwt de tempel; na veertig jaar opgevolgd door zijn zoon Rechabeam; bekend om zijn wijsheid en zijn glorie; verondersteld auteur van de Bijbelboeken Spreuken, Prediker en Hooglied, dus van vooral wijsheidsliteratuuur (zie: chochma); andere naam: Jedidja(2) (293x: 2 Sam. 5:14 +, 1 Kon. 1:10 +, 2 Kon. 21:7 +, Jer. 52:20, Ps. 72:1 +, Spr. 1:1 +, Hoogl. 1:1 +, Ezra 2:55 +, Neh. 7:57 +, 1 Kron. 3:5 +, 2 Kron. 1:1 +; ook 12x in NT);
  2. mannelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Sjlomo [ ? ]
spelling: spelling elders: Salomon  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-