Samuel, Semuel

afbreking: Sa·mu·el, Se·mu·el, [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: volgens 1 Sam. 1:27 'gevraagd aan God';  

 
  1. zoon van Elkana(2)-2 en Hanna-1; groeit op in het heiligdom in Silo bij de priester Eli(2), die hij opvolgt; laatste van de rechters (leiders) van Israël-3; zalft Saul-1 tot koning en na diens verwerping David-1 (138x: 1 Sam. 1:20 +, Jer. 15:1, Ps. 99:6, 1 Kron. 6:13 +, 2 Kron. 35:18; ook 3x in NT);
  2. zoon van Ammihud, als hoofd in de stam Simeon-2 betrokken bij de verdeling van het land Kanaän-2 (Num. 34:20);
  3. afstammeling van Issachar-1, zoon van Tola (1 Kron. 7:2);
  4. tweetal boeken van het OT, waarin Samuel-1 een van de hoofdpersonen is;
  5. mannelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Sjmoeël, Sjmoeëel [ ? ]
spelling: in vertalingen vaak 'Samuel' bij nr. 1 en 4, 'Semuel' bij nr. 2-3  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-