Sara

Sara (1)

afbreking: Sa·ra [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]
letterlijk: 'vorstin';  

 
  1. vrouw van Abraham-1; heet aanvankelijk Sarai, maar krijgt de naam Sara, als God haar ondanks haar hoge leeftijd een zoon geeft, Isaak-1; begraven in de grot van Machpela (38x: Gen. 17:15 +, Jes. 51:2; Griekse vorm 4x in NT);
  2. vrouwelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Sara(2) [ ? ]
zie ook: Chajee Sara, Ohel Sara  

Sara (2)

afbreking: Sa·ra [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'vorstin';  

 
  1. vrouw van Abraham-1; heet aanvankelijk Sarai(2), maar krijgt de naam Sara, als God haar ondanks haar hoge leeftijd een zoon geeft, Isaak-1; begraven in de grot van Machpela(2) (38x: Gen. 17:15 +, Jes. 51:2; ook 4x in NT);
  2. vrouwelijke voornaam
[ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Sara [ ? ]
spelling: spelling elders: Sarah  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-