Sealtiël

afbreking: Se·al·ti·ël [ ? ]
herkomst: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie) [ ? ]
letterlijk: 'gevraagd aan God';  

  kleinzoon van koning Jechonja(2) van Juda-4, zoon van Assir, vader (of oom) van Zerubbabel (10x: Hag. 1:1 +, Ezr. 3:2 +, Neh. 12:1, 1 Kron. 3:17; ook 3x in NT) [ ? ]

verwant: Hebreeuws (transcriptieversie): Sjealtieel, Sjaltieel [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-