seder

afbreking: se·der [ ? ]
lidwoord: de  
meervoud: se·da·riem
[uitspraak: sədariem]
 
herkomst: Hebreeuws [ ? ]
letterlijk: 'ordening, volgorde';  

 
  1. joodse paasviering ter herdenking van de uittocht uit Egypte, met maaltijd op de eerste avond van Pesach;
  2. deel (van de Misjna)
[ ? ]

verwant: Jiddisj: seider [ ? ]

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-