Seva

afbreking: Se·va [ ? ]
  [uitspraak: Sə·va] [ ? ]
herkomst: Hebreeuws (transcriptieversie) [ ? ]

 
  1. kleinzoon van Cham-1, zoon van Kus-2; wordt beschouwd als stamvader van volk en gebied van Seba(2)-4; in vertalingen ook: Saba (Gen. 10:7, 1 Kron. 1:9);
  2. volk en gebied ten zuiden van Egypte; in vertalingen ook: Saba (Jes. 43:3, Ps. 72:10)
[ ? ]

verwant: Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): Seba [ ? ]
spelling: in vertalingen wel 'Saba' om onderscheid te maken met Seba(2)  
zie ook: Sevaïet  

© SHJ Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, 2010-